Er zijn woorden die je niet leest, maar voelt. Die ergens landen waar je het niet verwacht, en die je daarna niet meer loslaten. Onlangs stuitte ik op een tekst over een vrouw met een vaderwond en over hoe zij, zonder het te weten, steeds weer kiest voor de man die haar pijn bevestigt in plaats van heelt. Over hoe haar zenuwstelsel niet verlangt naar veiligheid, maar naar vertrouwdheid. En hoe die vertrouwdheid, hoe pijnlijk ook, voelt als thuis.
Die tekst raakte mij. Niet alleen om wat hij zegt over vrouwen, vaders en liefde, maar om wat hij zegt over ons allemaal.
We hebben allemaal onze rol in relaties. Of het nu gaat om een liefdesrelatie, de band tussen ouder en kind, of een vriendschap die soms wringt; we zijn geneigd om naar de ander te kijken. Naar wat die ander bij ons doet. Naar wat hij of zij verkeerd doet, waar diegene tekortschiet of te veel of te weinig geeft. Soms is die blik begrijpelijk, soms zelfs terecht. Maar er is een andere manier van kijken, eentje die veel meer oplevert, en die begint niet bij de ander, maar bij jezelf.
Wat als je eens omdraait wat je voelt? Wat als je, op het moment dat iemand iets bij je aanraakt – irritatie, verdriet, boosheid, dat steekje van tekortgedaan voelen – eens heel precies gaat kijken naar wat er in jou wordt beroerd? Niet wat die ander deed, maar welk oud stukje in jou er ineens van zich laat horen?
Ik spreek hier niet over als iemand die dit altijd al wist. Integendeel. Ik heb zelf lang naar buiten gekeken. Naar wat anderen bij mij deden, naar wat mij werd aangedaan, naar waarom bepaalde patronen zich maar bleven herhalen. Het heeft me jaren gekost – en eerlijk gezegd ook de nodige pijn – om te begrijpen dat die buitenwereld me steeds weer iets probeerde te vertellen over mijn binnenwereld. Niet als straf, maar als aanwijzing. Ik had het alleen veel eerder willen weten.
Net zoals je niet zonder reden woont waar je woont – je huis is een afspiegeling van je binnenwereld – zijn je relaties dat ook. Ze laten je zien wie je bent, wat je draagt, en wat er nog wacht om gezien te worden. Elke relatie is een spiegel. En alles wat je in die spiegel ziet en niet bevalt, is een uitnodiging.
Als we zo leren kijken, verandert er iets in de taal die we gebruiken. We spreken minder vanuit verwijt. We beschuldigen minder, we vergelijken minder, en er komt ruimte vrij – ruimte die voorheen werd ingenomen door oordeel, maar die nu gevuld kan worden met iets zachters. Met begrip. Met liefde, zelfs.
Maar ik wil ook eerlijk zijn over de valkuilen, want die zijn er. Want als iemand geraakt wordt door iets wat jij doet, is het verleidelijk om te denken: tja, dat is zijn of haar werk. Diegene heeft daar nog iets mee te doen. En misschien is dat ook zo. Maar vergeet dan niet om ook naar je eigen rol te kijken. Jij raakte diegene ook niet voor niets. We projecteren voortdurend op elkaar. We zijn elkaars spiegel, altijd, en in alle richtingen. Dat vraagt niet om zelfkastijding, maar wel om eerlijkheid.
En dan is er nog iets wat ik graag wil benoemen, iets wat ik steeds vaker tegenkom in mijn werk. Want sommige dingen gaan dieper dan wat we in dit leven hebben meegemaakt. We dragen niet alleen onze eigen verhalen en verleden, we dragen ook de verhalen van hen die voor ons kwamen. De heksenvervolgingen. Slavernij. Het patriarchaat. De ontwrichting die een pandemie als de pest of corona achterlaat in een collectief zenuwstelsel. Dit zijn geen abstracte begrippen. Het zijn lagen in het systeem waar we vandaag de dag nog steeds in leven, en die hun sporen hebben nagelaten in ons lichaam, onze patronen, onze relaties.
Als je dat beseft, wordt compassie niet alleen een mooi woord, maar een noodzaak. Compassie voor jezelf, voor de ander, voor het feit dat wij allemaal – zonder uitzondering – bezig zijn met helen. Bewust of onbewust.
We staan aan de drempel van een nieuw tijdperk. En dat gaat niet zonder wrijving. Wat oud is, komt naar boven. Wat pijn heeft gedaan, klopt op de deur. Wat verborgen was, wil gezien worden.
Dat is geen straf, dat is het proces. En als we het herkennen voor wat het is, als we het durven zien als opruimen in plaats van afbreken, dan hoeven we het ook niet meer alleen te dragen.
Dan kunnen we elkaar hierin ontmoeten. Niet als tegenstanders. Maar als mensen die begrijpen dat de ander ook maar zijn best doet met wat hij draagt.
En dat verandert alles.
Warme groet,
Henk