henk-janssen

Mijn kijk op orgaandonatie. *

Er wordt heel wat gediscussieerd over orgaandonatie en orgaantransplantatie. Om voor mezelf mijn waarheid helder te krijgen heb ik heel wat afgelezen. Zo was er het boek van Pim van Lommel met zijn BDE (bijna dood ervaringen)
De informatie komt uit het 2e boek van Bernadette von Dreien over haar dochter Christina "het visioen van het goede"

Graag wil ik dit met jullie delen om je eigen beeld te verruimen.

Volgens dat artikel zijn er 4 aspecten die te onderscheiden zijn: 

Cel-geheugen: 
Dit is het eerste belangrijke aspect om over na te denken in geval van orgaantransplantatie.

Alles wat in onze ziel is opgeslagen – en nog veel meer – is ook in iedere cel van ons lichaam opgeslagen. Ons karakter, onze manier van gedragen die we door ervaringen van onze vroege levens en in de loop van ons huidige leven opgebouwd hebben. Onze voorkeuren en waar we een afkeer van hebben. Al deze informatie is energetisch opgeslagen in onze lichaamscellen. Dit noemen we het cel-geheugen waarin het volledige verzamelde karma van een mens is opgeslagen. 


Dit betreft niet uitsluitend alle ervaringen die we als ziel in dit of vorige levens persoonlijk hebben ervaren. Tegelijkertijd ook alle denkpatronen, plaatjes en overtuigingen die we onbewust van onze voorouders overgenomen hebben en die we nog niet bewust getransformeerd hebben. Alles wat onze vader en zijn voorouders en onze moeder en haar voorouders aan ervaringen verzameld hebben is daarmee tegelijkertijd in ons cel-geheugen opgeslagen.
En omdat al onze fysieke organen uit cellen bestaat, is in onze organen al deze informatie aanwezig.

Als nu bijvoorbeeld bij een orgaandonor het hart wordt verwijdert, dan is in dit hart alle informatie van zowel de donor als van zijn voorouders opgeslagen. Wordt het hart in het lichaam van een ontvanger getransplanteerd dan krijgt de ontvanger niet alleen het fysieke orgaan maar bovendien als extra ook de energetische informatie van de donor. Op grond hiervan kan na iedere orgaantransplantatie geconstateerd worden dat de ontvanger op medisch onverklaarbare wijze plotseling duidelijk waarneembaar karakterverandering ondergaat. Dat hij in bepaalde situaties anders dan voorheen reageert, dat hij er nieuwe gewoontes op na gaat houden of dat hij opeens een ander lievelingsgerecht heeft. Andere voorbeelden laat ik aan je eigen fantasie over.

Wanneer is iemand echt dood?


Het tweede aspect is van ethische aard en gaat over de vraag wanneer iemand echt dood is. 

Of meer precies kan men van een dood iemand überhaupt een orgaan ten behoeve van orgaantransplantatie gebruiken?
De medici zeggen dat ze pas een orgaan weghalen als hij hersendood verklaard is. Hersendood lijkt op een soort van comateuze toestand. In de meeste gevallen is het zo dat bij een coma de ziel zich nog steeds in het lichaam bevindt of op zijn minst nog met het lichaam verbonden is. Bij hersendood is dat hetzelfde. Als je het op die manier bekijkt worden te transplanteren organen altijd bij een nog levend iemand weggehaald. Pas doordat bij de orgaandonor het desbetreffende orgaan weggehaald wordt is het lichaam definitief niet meer levensvatbaar zodat de ziel daarom het lichaam verlaat.

Het derde aspect kan vergaande gevolgen voor de orgaandonor hebben
Zolang de ziel nog in het fysieke lichaam verblijft is, kan het fijnstoffelijke etherisch lichaam nog veranderingen ondergaan en past zich aan aan het fysieke lichaam. Het etherische lichaam is direct met het fysieke lichaam verbonden. Hetgeen betekent dat wat met het fysieke lichaam gebeurt, dat gebeurt ook in het etherisch lichaam. Wordt er bij iemand bijvoorbeeld het hart uitgenomen, dan ontstaat er niet alleen in het fysieke lichaam een gat, maar parallel daaraan ook in het etherische lichaam. Daar wordt opgeslagen dat er geen hart aanwezig is. 

Na de dood van deze persoon blijft deze informatie in het etherisch lichaam opgeslagen en zo reist de ziel met de informatie dat er geen hart aanwezig is naar zijn volgende incarnatie. Als er dan overeenkomstig het bouwplan een nieuw fysiek lichaam opgebouwd wordt, dan zal er op grond van de opgeslagen informatie het nieuwe lichaam geen hart ontwikkelen, dit omdat de informatie die naar de cellen gestuurd wordt inhoudt dat er geen hart aanwezig is. Dit is een van de mogelijke gronden waarom kinderen regelmatig zonder een bepaald orgaan geboren worden.

Het vierde aspect tenslotte van de verdere reis naar het licht.
Overeenkomstig ons zielenplan incarneren wij immers in specifieke menselijke levensomstandigheden om hier bepaalde ervaringen op te doen en bepaalde gebeurtenissen af te ronden voordat we aansluitend verder reizen op onze weg terug naar het Goddelijke Licht. In iedere incarnatie hebben we bepaalde opdrachten te vervullen en als ze in het ideale geval allemaal vervuld zijn dan zij we vrij om onze volgende stappen te zetten.

Als we sterven dienen we ons bewustzijn los te koppelen van het aardse fysieke bestaan, hetgeen betekent ons dode lichaam te verlaten. En het ook met dankbaarheid voor bewezen diensten helemaal los te laten. Dan zijn we vrij van de nu beëindigde incarnatie en bereid om verder te reizen. Dat is wat er normaal gebeurt.
In geval van een orgaandonatie leeft het beschikbaar gestelde orgaan in een ander fysiek lichaam nog verder zodat de orgaandonor niet helemaal afscheid kan nemen. Voor zover hij niet een buitengewoon hoog ontwikkeld bewustzijn heeft dat als het ware op natuurlijke wijze boven het fysiek niveau staat, zal hij waarschijnlijk de neiging hebben om ook na de dood nog in de buurt van de ontvanger te blijven omdat daar nog voor zijn gevoel nog een deel van hem voortleeft.
Dit gevoel zal hem bij zijn reis naar het Licht hinderen en hij zal aan de aarde gebonden blijven. Deze omstandigheid is zo alsof de donor in een vreemde incarnatie verder leeft. Dit ofschoon zijn eigen incarnatie al ten einde is.
Pas zodra het getransplanteerde orgaan niet meer functioneert, beter gezegd als de ontvanger ook sterft en zijn lichaam verlaat, pas dan kan de energetische gevangenschap van het orgaan opgelost worden en de ziel van de orgaandonor kan eindelijk gaan.

Bloedtransfusies, hoornhuidtransplasnaties en dergelijke zijn minder problematisch, dot omdat zich na zulke ingrepen de desbetreffende cellen weer door lichaamseigen cellen vernieuwen. Daarbij ontstaan bij de ontvanger afstotingsverschijnselen. De natuurlijke grens ligt daarom waarschijnlijk bij net dit punt.
Bij de complexe organen als hart, longen, nieren of lever worden door het systeem van de ontvanger als lichaamsvreemd ervaren en van nature afgestoten. In de moderne geneeskunde verhindert men dit afstoten door dat de ontvanger van het orgaan zijn leven lang sterke immuun-onderdrukkers dient te slikken. Dat zijn dus medicamenten die de natuurlijke functies van het immuunsysteem op grote schaal onderdrukken.

De natuur lijkt hier dus klare grenzen aan te geven van wat er in het plan staat en wat een onwelkome onnatuurlijke ingreep is.

Aan het verwijderen van organen of lichaamsdelen zijn vanuit energetisch zicht altijd een zekere mate van risico verbonden. Dat geldt overigens ook voor kleinere ingrepen zoals het verwijderen van de amandelen, de blinde darm, baarmoeder e.d.. dit omdat dan ook deze onderdelen in het etherisch lichaam ontbreken.
Het grote verschil met orgaantransplantaties bij overledenen bestaat hierin dat het bij leven nog mogelijk is om een correctie in het etherische lichaam aan te brengen zodat er hierin geen blijvend gat achterblijft en men dus onbeschadigd de volgende incarnatie in kan gaan. 

Zolang de mens nog in leven is, is het mogelijk om ten allen tijde het fijnstoffelijk lichaam op energetische niveau te repareren.

* de inhoud van dit schrijven is gebaserd op een tekst uit deel 2 van Chrstina von Dreien. Schrijfster van het boek Christina, als tweeling geboren.